Bevrijdingspreken - Enschede

Haaksbergsestraat in Enschede 1 april 1945. Het gemeentehuis is zichtbaar op de achtergrond.

De bevrijders zijn er.

Bevrijding.

Preek, uitgesproken door Ds. J. L. DE WOLF, op Zondag 8 April 1945 in de Lasonderkerk.

Schriftlezing: Voorgelezen werd Psalm 126, eerst in de Engelsche en daarna in onze taal. _ Liederen: Gezangen 302, 293 in hun geheel. De slotzang bestond uit het Engelsche volkslied "God save the King" en de verzen 1, 6 en 15 van het Wilhelmus. Tekst: Psalm 126 : 3, De Heer heeft groote dingen aan ons gedaan. Daarom zijn wij verblijd.

Broeders en Zusters, Droomden wij? Wij hebben de tanks zien voorbijrollen, getooid met oranje; tusschen de pantserluiken die open, vriendelijke gezich- ten onzer Engelsche vrienden, die ons toewuifden. En overal gingen de vlaggen uit. Wij stonden daar vol vreugde en hadden moeite onze tranen de baas te worden. Want zij zijn zoo ontzettend ge- weest deze vijf jaren van tyrannie. Wij hebben zoo gesmacht naar dit oogenblik, dat komen zou, komen moest ...... maar het duurde zoo lang. Nog is echter het uur niet gekomen voor de groote nationale dankstonde. Ons geheele vaderland is nog niet vrij. Er wordt nog hevig gevochten; vele slachtoffers vallen en zullen vallen. Onze tegenstander is, gelijk I-Iare Majesteit onze geëerbiedigde Koningin gezegd heeft, inderdaad meedoogenloos en hardnekkig. Hij zal zijn heilloos werk van dooden, vervolgen en plunderen voortzetten zoo- lang hij kan. Gij echter begeert terecht in onze kerk voor Gods aangezicht nú reeds uw dank uit te spreken voor de verlossing van onze stad en een vurige bede op te zenden naar den Hemel voor het behoud van onze mannen en zonen, die nog in den vreemde zijn; voor de overwinning en het .heil van hen die strijden, kinderen van ons volk én van onze bondgenooten in West, Zuid, Oost en in het verre Oosten. Wij beseffen als Christenen zeer wel, dat wij én in onzen dank én in onze gebeden, ja nú wellicht meer dan ooit de tucht behoeven van Gods Woord. Daarom willen wij alles wat ons overkomen is, wat wij gedaan hebben en voornemen te doen, brengen en zien in de lichtbundels van Gods Getuigenis tot ons. Toen die ballingen in Babel na vele jaren eindelijk den roep hoorden: "Gij zijt vrij! Gij moogt naar uw land terugkeeren!", waren er velen, die niet eens terug wilden, omdat de liefde voor het vaderland bij hen tot het vriespunt was gedaald. Dat waren lieden van het standpunt: VVaar ik het goed heb ligt mijn vaderland. Vele anderen evenwel, de kern van het oude volk, hadden niet verloren laten gaan het besef dat zij als volk een roeping hadden in de wereld. Het was geen toeval geweest dat hen tot een v olk had gevormd. Zij waren niet geassimileerd met hun overheerschers, geen Babyloniërs, geen Babelvrienden geworden. Hoewel het hun groote offers gekost had en vele wegen voor hen waren afgesloten, ja ergens misschien in een verr_e toekomst zich een smalle weg openen zou om er uit te komen, zoo hielden zij toch vast deze liefde. Toen dan de roep geheven werd: "Gij zijt vrij! Keert maar terug naar uw land !", was het als droomden zij. Zij moesten dit alles eerst verwerken. Wanneer men lang een zwaar juk gedragen heeft, is het immers ongeloofelijk dat het van de schouders is afgenomen! Zij hadden al die bittere jaren door gevraagd: Waarom? Is onze maat dan nog niet vol genoeg geschonken, o God ? Houdt Uw grimmigheid niet op ? Zijn onze offers U niet genoegzaam geweest ? Is dit kernvolk niet tot het uiterste beproefd geworden in hun geloof en hun trouw? Is het zoo ook niet/ met ons ? Hoeveel ge- beden zijn er niet opgezonden voor onzen grooten vriend en ambts- broeder Ds. Zwiep! Wankelden wij niet even toen het bericht van zijn heengaan ons bereikte ? Maar die anderen, vijanden en die heulden met den vijand, zeiden tot elkander: Begrijpt gij zulk een vasthoudendheid ? Hoe is het mogelijk, dat die menschen zich niet willen schikken in het onver- mijdelijke! Zouden zij werkelijk het hopelooze van hun streven niet inzien ? Waarom buigen zij zich niet voor de nieuwe goden in stede van zich vast te klampen aan den God, die hen eens, lang geleden, uit Egypte heeft verlost ? Toen echter Babel gevallen was en Cyrus het vrijlatingsbevel uitvaardigde, moesten zij wel toegeven: "De Heer heeft groote dingen aan hen gedaan. Hij heeft hen beproefd, geslagen tot bloe- dens toe, beroofd, vernederd, maar niet den ondergang gewijd. Ziet, zij loopen met blijde gezichten rond, maskeerend daarmede het leed in hun hart om zooveel dooden en verwoeste steden." Inderdaad zóó denken die anderen nú over ons. Men heeft onze Koningin beleedigd; onze regeering een emigran- ten-kliek genoemd. Men heeft alle dappere strijders en werkers vervolgd, gemarteld in gevangenis en concentratie-kamp. Men heeft onze bondgenooten verdacht gemaakt. Men heeft onze Kerken ondermijnd en onze geestelijken omringd met verraders, die door- drongen tot in den Kerkeraad en andere colleges. Heeft men uw voorganger niet bij zijn verhoor voor de voeten geworpen: "Noch zehn Jahre und dann ist die Kirche erledigt! Denn, der National- socialismus ist ewigl" Waarop het antwoord luidde: Slechts Eén is eeuwig. God. Maar de Kerk ging voort de overheid te zeggen waar het op stond. De Kerk heeft rusteloos in deze jaren zich ingespannen om dit volk te bewaren en te houden op den rechten weg. En nú. Waarlijk, de Heer heeft groote dingen aan hen gedaan. De Heer heeft groote dingen aan o n s gedaan. Hij heeft ons geslagen, vernederd, beproefd. Dat was, wij wisten het van den aanvang af, Zijn Oordeel over een onrechtvaardige samenleving; over een zeldzaam oppervlakkige levenshouding spande Hij Zijn vierschaar. Onhoudbaar was die schrille tegenstel- ling van grooten rijkdom tegenover armoede. Onhoudbaar ook de voortgaande verdeeldheid en versplintering van ons volk, zelfs, ja zelfs in de Kerk. Wij verdienden dit Oordeel. Het was noodig voor ons. Toch wisten wij: Niet altoos zal Hij twisten en niet eeuwig den Toorn behouden. Want zoo ver het Westen is van het Oosten, doet Hij onze overtredingen van ons. Er zal een dag komen van Zijn genade en welbehagen. Laat ons trouw zijn, ons buigen gelijk het riet, dat zich toch weer opricht. Laten wij hopen op Zijn ver- lossingen. Zóó ging het ons. Groote dingen. Ja, wij weten wel dat het de Engelschen waren, die onze stad bevrijd hebben. Zij zijn onze bondgenooten en vrien- den; wij zullen onzen diepen dank uitspreken en toonen. Maar hier gekomen moeten wij toch oppassen. Opdat wij bewaard worden voor verkeerde gedachten. Wij prediken geen nationalisme en willen ons hoeden voor eenzijdigheden. Wij zien in dit geweldige drama een strijd van engelen en duivels, om het Lichtrijk, waarvan het afschijnsel op aarde moet blinken. Er moet niet een volk vernietigd worden, maar een ge e s t, die in al zijne uitingen zijn satanisch karakter verried. In diepste wezen wordt een godsdienstoorlog gevoerd, waarin het erom gaat of wij Gode zullen behooren dan wel Satan. Wij zijn verblijd, waarlijk niet over Duitschland's onvermijdelijke nederlaag. Niet om het smartelijk verlies aan menschen, menschelijk geluk en om de verwoesting van al die steden. Wij zijn verblijd omdat het hakenkruis vernietigd wordt, ,omdat die vlag gestreken wordt, om dezen geest van modern-heidendom, die eronder-moet en eronder-gaat. Méér willen wij er thans niet van zeggen. In het heden der vrijheid ligt de beslissing voor de toekomst. Wij staan op een tweesprong. Wij krijgen uit Gods Handen opnieuw een groote, ja, een geweldige kans. Wij krijgen die als volkeren, als Kerk. Daarover spreken wij eerst, wanneer de groote dankdag gekomen is. Wij willen eindigen met de bede, dat God een spoedig einde van den oorlog geve. Want alle bloed dat verder vloeit, wordt noodeloos vergoten. Elke verdere verwoesting is overbodig. Het pleit is reeds beslist. God voere onze bondgenooten en ons tot een spoedige zege. Hij voere onze mannen naar hun land en gezinnen terug. Hij trooste allen die treuren, ook hen voor wie in onze stad deze dagen geen onvermengde vreugde konden brengen. Hij houde ons allen op den weg van Waarheid en Recht. Leven wij en handelen wij op zulk een wijze dat wij ons niet behoeven te schamen dragers te zijn van den naam van Hem, die om onze zonden en verlossing het kruis droeg, Jezus Christus, die geloofd zij in eeuwigheid. ` De Heer heeft groote dingen aan ons gedaan. Daarom zijn wij verblijd. - Amen.

Het slotgebed ving aan met dank aan God "for all human fellow- ship", ging voort met een bede voor allen nood der Christenheid en eindigde met het "Onze Vader" in de Engelsche taal. De zegen werd in beide talen gegeven.

<< Terug naar bevrijding





Ik hoor graag van u wat u van de website vindt.
Wanneer u informatie wilt delen is dat ook erg welkom.
Klik dan hier om mij te mailen.

 

Recent uitgebrachte boeken over WOII in Enschede / Twente

Wilt u verder lezen over Enschede tijdens de tweede wereldoorlog?
Er zijn in de afgelopen tijd diverse interessante boeken uitgebracht:



Blijf op de hoogte van de laatste ontwikkelingen

Outlet